loader gif

Artikel: Schiedam, oh jij Jeneverstad

Een kijkjen in Uw Oud Schiedam.
Och,  wil het niet gansch vergeten!
Gij hebt er toch zeker ook menig uur
Van echt geluk gesleten.

Een onafboenbre roetkorst kleeft
(Dat ’s waar) er aan iederen gevel,
En over havens en straten hangt
Er een eeuwige steenkolennevel.

Het zijn de eerste twee strofes van het gedicht ‘Het Zwart Schiedam’ van dichter Piet Paaltjens, geschreven in 1880. Het is een ode aan een stad die indertijd letterlijk zwart zag van het roet als gevolg van het bezitten van de grootste jeneverindustrie van Nederland. Enkele honderden distilleerderijen, branderijen en glasblazers lieten weelderig hun vuren vlammen om aan de grote vraag, in binnen- en buitenland, naar de toenmalige volksdrank Jenever te voldoen.

Wie het volledige gedicht nauwkeurig leest en de stad een beetje kent – uw verslaggever is er opgegroeid – zal onmiskenbaar het sarcasme en de tragiek in dit gedicht herkennen. De bloeiende jeneverindustrie had letterlijk en figuurlijk een duistere kant, waarvan sommigen zeggen dat de figuurlijke variant er, anno nu, nog steeds is.

Oud naast nieuw

Schiedam, oh jij Jeneverstad 1

Aangekomen per trein is het even uitzoeken waarheen te gaan. Het nieuwe, modern ogende, station is aan de rand van de stad gebouwd, maar het duurt niet meer dan tien minuutjes voordat het centrum lopend is bereikt. Voor de “dwalenden” is er als eikpunt de toren van de Liduinabasiliek die uitsteekt boven een grijze nieuwbouwwijk. Eenmaal bereikt is deze basiliek zeker een bezoek waard.

Niet ver van deze basiliek vandaan, naast het stadskantoor en het Theater Aan De Schie, staat er nog een interessant gebouw. Ook al gebouwd ver vóór de jenevertijd, is “de ruïne van Aleida” (officieel Het Huis te Riviere) erg bepalend geweest voor Schiedam. Het kasteel werd gebouwd in 1262 in opdracht van gravin Aleid van Holland. Dankzij haar inzet heeft Schiedam het recht op weekmarkten en jaarmarkten gekregen en uiteindelijk stadsrechten.

Toch wekt de Schiedamse jeneverhistorie meer interesse, maar een bezoek aan de plaatselijke VVV levert niet meer op dan de tip om naar het Jenevermuseum te gaan – wat uiteraard het plan al was – en de naam van een caféhouder die veel van jenever weet. Op naar het jenevermuseum dus maar.

Op zoek naar de jenever

Het museum ligt in het centrum, in het oude gedeelte van Schiedam, aan de Lange Haven. Het is een pittoreske haven met aan beide zijden veel oud uitziende loften en woningen. De kades worden om de zoveel honderd meter met elkaar verbonden door ophaalbruggetjes en er liggen zelfs klassiek uitziende boten in het water die geheel in het plaatje lijken te passen. Enkel de moderne auto’s die op de kades geparkeerd zijn doen je beseffen dat de tijden van weleer al lang vervlogen zijn. Het is er opvallend rustig voor een normale vrijdagmiddag.

In het museum komt het verleden je meteen weer tegemoet. Het museum is gevestigd in een oude jeneverfabriek, met stenen vloeren en veel houten balken. Aan de balie zit een vriendelijke mevrouw die de gebruikelijke procedure uitlegt wat betreft de te lopen route, het gebruik van de kluisjes en dat er alleen foto’s gemaakt mogen worden zonder flits. Wel interessant is dat ze vermeldt dat de bijbehorende branderij vandaag in bedrijf is en dat er ook wat jenever geproefd kan worden in de proeverij. Vooral dat laatste hoeft maar één keer gezegd te worden, uw verslaggever offert zich graag op voor een goed verhaal.

De expositie is vrij leerzaam voor iemand die niks van jenever af weet. Er wordt duidelijk verteld hoe jenever gemaakt wordt en dat de Schiedamse jeneverindustrie ook enkele andere industrieën opleverde. Zo ontstonden er in de negentiende eeuw, naast de honderden branderijen en distilleerderijen, ook honderden kuipers (tonnenmakers), mandenmakers, kistenmakers, flessenblazers en kurkensnijders in Schiedam. Daarnaast wordt duidelijk dat de komst van de, goedkoop gemaakte, jonge jenever (ten opzichte van oude jenever) een belangrijke rol heeft gespeeld in popularisering van deze drank.

Schiedam, oh jij jeneverstad 2

Rondlopend in het museum vraag je je af hoe zo’n grote industrie zomaar verdwenen kan zijn. Er zijn immers nog maar een handjevol jenevermerken overeind gebleven, zoals Nolet en De Kuyper. De baliejuffrouw kan hier niet direct antwoord opgeven, maar ze heeft wel een opvallend vermoeden: ,,Deels heeft het denk ik met de Schiedamse mentaliteit te maken. Op een of andere manier hebben Schiedammers niet de mentaliteit om door te zetten. Daarnaast bracht de jeneverindustrie een groot probleem met zich mee en dat was alcoholisme. Schiedammers kwamen heel makkelijk aan alcohol, omdat het overal om hun heen was.’’ Half fluisterend zegt ze vervolgens: ,,Bij onze buren, de Vlaardingers, staan wij ook bekend als armoedig en als alcoholisten. En er zijn theorieën over waarom er, nu nog, veel mensen in Schiedam zijn die niet helemaal honderd procent zijn. Het is te wijten aan de alcohol.’’

Of dit waar is valt moeilijk te bewijzen, maar feit is dat Schiedam al tientallen jaren kampt met een leeglopende binnenstad waar bedrijven en winkeltjes om de haverklap failliet gaan of verhuizen. Parallel lopend aan de Lange Haven bevind zich de belangrijkste winkelstraat van Schiedam. Volgens de baliejuffrouw hebben maar weinig Schiedammers een goed woord over deze “ongezellige“, halflege straat.

Na in de proeverij van het museum drie verschillende (kleine) borrels te hebben geproefd onder begeleiding van de barvrouw, die overigens vertelt dat elk pand op de Lange Haven met ronde ramen vroeger een distilleerderij was, wordt het tijd om een kijkje te nemen in de rest van de stad. Maar op het moment van vertrek roept de baliejuffrouw: ,,Wacht eens! De oud-directeur van de glasfabriek is zojuist binnengekomen met zijn twee kleinkinderen, misschien wil hij wel wat vertellen.” En dat wil hij zeker.

Teloorgang van de jeneverindustrie

Johan Soetens (80) is meer dan veertig jaar commercieel directeur geweest van de Vereenigde Glasfabrieken Schiedam. Hij heeft, vooral in de jaren ’70, veel jenevermakers zien verdwijnen en volgens hem is dit te wijten aan de prijzenoorlog die er in die tijd ontstond. Terwijl zijn kleinzoon en kleindochter enigszins verveeld in de proeverij naast hem zitten – een vervelende journalist hadden ze op hun dag uit natuurlijk niet verwacht – vertelt Soetens: ,,In de jaren ’70 werd het door de Europese Gemeenschap verboden om prijsafspraken te maken. De afgesproken minimumprijs voor jenever verviel, waardoor bedrijven hun jenever steeds goedkoper gingen verkopen. Hierdoor gingen mensen op een gegeven moment heel veel jenever inkopen en opslaan, zodat er op een gegeven moment niks meer verkocht werd en vooral de kleinere jenevermakers waren hier de dupe van. Dit deed de industrie de das om.’’

Enig research laat weten dat de Schiedamse jeneverindustrie, die rond 1700 ontstond, al rond 1900 in het slop begon te raken. In de jaren ’30 was er een grote dip in de jeneverindustrie vanwege de Grote Depressie. Deze was zelfs desastreuzer voor Schiedam dan die van de jaren ’70. Vanwege deze crisis werd er extra accijns gelegd op jenever om het economisch herstel in Nederland te bevorderen. Hierdoor moesten veel bedrijven hun deuren sluiten en raakte Schiedam, dat destijds bijna alleen maar jeneverindustrie had, in een periode van grote armoede. Het is dan ook misschien niet zo gek dat het alcoholgebruik onder de werkeloze jeneverarbeiders toenam. De alcohol lag in Schiedam immers voor het oprapen.

Als de roetwolken zijn opgetrokken

Schiedam, oh jij jeneverstad 3

Eenmaal uit het museum schijnt de zon boven de vredige Lange Haven en is er weinig merkbaar van wat ooit eens ‘Zwart Nazareth’ genoemd werd. Het blijft hier vooral bij de vele oude panden die ooit distilleerderijen waren. Maar als men goed oplet ziet men boven deze panden een molen uittorenen. Het is molen De Walvisch, een van de vijf overgebleven historische molens van Schiedam. Oorspronkelijk waren het er twintig. Deze molens behoren tot de hoogste ter wereld en werden gebruikt voor het malen van mout, wat van oorsprong de grondstof is voor jenever. In de wintermaanden zijn deze molens alleen te bezoeken in het weekend.

Aan het einde van de lange haven bevindt zich de korenbeurs. Dit historische gebouw is in de 18e eeuw gebouwd door de Italiaanse architect Giudici en dat is te zien. Het gebouw doet meer buitenlands aan dan de rest van de gebouwen op de Lange Haven en het voelt een beetje vreemd om dit te zien. Tegenwoordig zit er in de Korenbeurs een kunstcentrum, maar vroeger was dit de handelsplek voor de jeneverindustrie.

Voor de korenbeurs staan twee bronzen beelden, waar helaas geen beschrijvingen bij staan. De ene is een man met een ton in zijn handen en de andere is een man die een zak draagt. Een voorbijganger vertelt dat de laatste een zogenaamde ‘zakkendrager’ is. Dit waren de mannen die het graan en het mout in en uit laadden en dit vak scheen een vrij lucratieve baan te zijn. Vanwege het zware werk (de zakken konden wel honderd kilo wegen) werden deze dragers goed betaald.

De andere kant van Schiedam

Vanaf de Korenbeurs is het enkel een bruggetje over en men staat in de Hoogstraat. Dit is de winkelstraat van Schiedam. Het is de straat waar de baliejuffrouw van het museum het over had en meteen wordt duidelijk wat ze bedoelde. Ook al zijn er aardig wat winkels (en het Stedelijk museum, dat een must see is voor de moderne kunstliefhebber), toch staan er veel panden leeg en zijn er relatief weinig mensen te bespeuren. De straat is in zekere zin de achterkant van de Lange Haven, en het is dan ook een raar idee dat het er hier honderd jaar geleden waarschijnlijk een bedrijvigheid van jewelste is geweest. Het maakt Schiedam een mooie, maar ook een tragische stad.

 

© 2018

Website by Bureau Beeldrijm